Nieuws
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep
in de zaak Lycos-Pessers
De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan in
een kort geding over de vraag of Lycos als hosting internetprovider aan Pessers de naam en
het adres bekend moet maken van de websitehouder, die in een website op
http://members.lycos.nl anoniem Pessers had beschuldigd van oplichting bij de verkoop van
postzegels via de veiling op de website www.ebay.com.
De rechtbank Haarlem heeft op 11
september 2003 en het hof Amsterdam heeft op 24 juni 2004 in hoger beroep Lycos bevolen
die gegevens (de NAW-gegevens) aan Pessers bekend te maken. Tegen de uitspraak van het hof
is Lycos bij de Hoge Raad in cassatie gekomen.
Als advocaten in cassatie treden op voor
Lycos Netherlands B.V.: mr. K.G.W. van Oven, advocaat in Den Haag en mrs. E.J. Dommering
en R.D. Chavannes, advocaten in Amsterdam. Voor Pessers treedt op mr. K. Aantjes, advocaat
in Den Haag en mrs. D.J.G. Vosser en A.A. Quaedvlieg, advocaten in Amsterdam.
Op 24 juni 2005 heeft advocaat-generaal
mr. J.L.R.A. Huydecoper in zijn advies aan de Hoge Raad geconcludeerd tot verwerping van
het cassatieberoep.
De uitspraak van het hof
Het hof heeft vastgesteld dat op de
website een, anoniem geuite, ernstige beschuldiging aan het adres van Pessers was
gepubliceerd.
Volgens Lycos hoeft zij de NAW-gegevens
aan een benadeelde alleen te onthullen als er sprake is van evident onrechtmatige
uitlatingen of als het gaat om strafbare feiten en politie en justitie de gegevens
opvragen.
Het hof was het daarmee niet eens.
Weliswaar was het voor Lycos niet onmiskenbaar dat de bewuste informatie op die website in
dit geval onrechtmatig was, maar het hof vindt het aannemelijk dat de mogelijkheid bestaat
dat die informatie onrechtmatig en voor Pessers schadelijk is. Volgens het hof heeft
Pessers een reëel belang bij die NAW-gegevens en is er geen minder ingrijpende manier om
ze te verkrijgen. Het hof was van oordeel dat Lycos bij afweging van de belangen van de
hosting provider, de betrokken websitehouder en Pessers in dit concrete geval onzorgvuldig
handelt door de naam en het adres van die websitehouder niet aan Pessers bekend te maken.
De uitspraak van de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft alle bezwaren van
Lycos tegen de uitspraak van het hof verworpen. Dat betekent dat het bevel aan Lycos om de
NAW-gegevens aan Pessers bekend te maken in stand is gebleven.
Een van de belangrijkste bezwaren van
Lycos was dat zo'n bevel niet mogelijk is, omdat dit in strijd komt met de Europese
Richtlijn inzake elektronische handel. In die Richtlijn (die inmiddels ook in het
Nederlandse Burgerlijk Wetboek is verwerkt) is onder meer geregeld dat een hosting
provider voor opgeslagen informatie niet aansprakelijk is als hij niet weet dat die
informatie onrechtmatig is en dat was hier volgens Lycos zo. Volgens de Hoge Raad regelt
de Richtlijn echter niet het geval waar het hier om gaat: wanneer moet een hosting
provider de NAW-gegevens van een anonieme websitehouder verschaffen aan iemand die meent
dat hij door de informatie die op de gehoste website is geplaatst wordt benadeeld. Een
andere uitleg van de Richtlijn zou ook ongewenst zijn, omdat anders veel benadeelden
praktisch gesproken geen actie zouden kunnen ondernemen tegen eventuele onrechtmatige
anonieme activiteiten.
Ook het bezwaar van Lycos dat het bevel
tot het verstrekken van de NAW-gegevens in strijd zou komen met de vrijheid van de
websitehouder om anoniem informatie te verspreiden of met de bescherming van de privacy
van die websitehouder acht de Hoge Raad ongegrond.
Hoge raad: Betaling parkeergeld
uitsluitend door middel van chipkaart toelaatbaar
De Hoge Raad heeft vandaag uitspraak
gedaan in een tweetal zaken over het betalen van parkeerbelasting uitsluitend door middel
van een chipkaart.
Sedert enige jaren heeft een aantal
grotere gemeenten gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor te schrijven dat bij
parkeermeters en parkeerautomaten uitsluitend kan worden betaald met een chipkaart.
Betaling door middel van muntinworp is dan niet meer mogelijk. De gemeenten zijn daartoe
veelal overgegaan in verband met problemen van diefstal uit en vernieling van
muntautomaten.
In procedures voor het hof Arnhem en het
hof Den Haag hebben belanghebbenden de rechtsgeldigheid van deze beperking in
betalingsmogelijkheden aangevochten. Zij hadden de verschuldigde parkeerbelasting niet
betaald en maakten bezwaar tegen de opgelegde naheffingsaanslag.
Het hof Arnhem heeft op 7 oktober 2003 (LJN AL7896) in een Nijmeegse zaak geoordeeld dat
de gemeentelijke voorschriften, waarin elektronische betaling wordt voorgeschreven,
onverbindend zijn omdat ze niet op een geldige wettelijke basis berusten; het hof heeft de
desbetreffende naheffingsaanslag vernietigd.
Het hof Den Haag daarentegen oordeelde op 13 november 2003 (LJN AL1841) in een zaak die in
Rotterdam speelde dat de gemeentelijke voorschriften rechtsgeldig zijn en heeft het beroep
van de belanghebbende ongegrond verklaard; daaraan deed volgens het hof niet af dat de
auto van belanghebbende werd gebruikt door een Britse onderdaan die niet over een
chipkaart beschikte.
In beide zaken is cassatieberoep
ingesteld. Het cassatieberoep is voor de gemeente Nijmegen behandeld door mr. G. Snijders,
advocaat in Den Haag; voor de gemeente Rotterdam is het beroep behandeld door de directie
gemeentelijke belastingen te Rotterdam, terwijl als woordvoerder in deze zaak optreedt de
heer E.A.M. Hendriks.
Advocaat-generaal Niessen heeft in beide
zaken op 7 december 2004 (LJN AR8903) in zijn advies aan de Hoge Raad geconcludeerd dat de
algemene maatregel van bestuur, waarin de mogelijkheid voor gemeenten is geschapen om
elektronische betaling van parkeergeld voor te schrijven, binnen de grenzen van de
Gemeentewet blijft en derhalve verbindend is.
De Hoge Raad heeft, in overeenstemming
met dit advies, geoordeeld dat er een geldige wettelijke basis is voor deze gemeentelijke
voorschriften.
Voorts heeft de Hoge Raad in de Nijmeegse
zaak (rolnr. 40.298) overwogen dat de onmogelijkheid van betaling met munten niet in
strijd is met de Europese verordeningen waarbij de euro als Europese munteenheid is
ingevoerd. De advocaat-generaal had geadviseerd op dit punt prejudiciële vragen te
stellen aan het Hof van Justitie van de EG. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze
verordeningen geen einde hebben gemaakt aan de mogelijkheid voor lidstaten om een andere
dan chartale wijze van betaling in de geldende munteenheid voor te schrijven.
Ten slotte heeft de Hoge Raad, in
afwijking van het advies van de advocaat-generaal, in de Rotterdamse zaak (rolnr.40.375)
geoordeeld dat geen sprake is van een ongeoorloofde discriminatie van andere EU-onderdanen
die zelf geen Nederlandse chipkaart hebben. Zij hebben de mogelijkheid om ter plaatse een
niet aan een bankrekening gebonden chipkaart te kopen. Weliswaar is daaraan een gering
bedrag (in Rotterdam ⬠2,50) aan kosten verbonden, maar naar het oordeel van de Hoge
Raad levert dat geen wezenlijke belemmering voor het parkeren op. Bovendien wordt het
eventuele ongemak gerechtvaardigd door de dwingende redenen van openbaar belang die aan de
invoering van uitsluitend elektronische betaling ten grondslag liggen, namelijk het
terugdringen van criminaliteit en overlast voor het publiek in verband met problemen van
diefstal uit en vernieling van muntautomaten.
Op grond van het voorgaande heeft de Hoge
Raad het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Haagse hof verworpen. Het beroep tegen
de uitspraak van het Arnhemse hof is gegrond verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de
naheffingsaanslag alsnog door de belanghebbenden dient te worden betaald.
Bovenstaande is een samenvatting van de
griffier van de Hoge Raad der Nederlanden (buiten verantwoordelijkheid van de Hoge Raad).
LJ Nummers AR8903, AR8934
Bron: Hoge Raad der Nederlanden
Ruimer bevoegdheden voor Politie
en Justitie
Eerste Kamer akkoord met wetsvoorstel
RUIMERE BEVOEGDHEDEN VOOR POLITIE EN JUSTITIE
De Eerste Kamer heeft vandaag ingestemd
met een wetsvoorstel van minister Donner dat justitie en politie meer bevoegdheden geeft
persoonsgegevens op te vragen bij maatschappelijke instellingen en bedrijven als dat voor
de opsporing noodzakelijk is. Het wetsvoorstel is gebaseerd op voorstellen van de
Commissie Strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij en op het
kabinetsstandpunt dat hierover in mei 2002 is verschenen.
De huidige bevoegdheden van politie en
justitie om gegevens op te vragen, zijn beperkt en soms onduidelijk. Opsporingsambtenaren
zijn nogal eens aangewezen op vrijwillige verstrekking van gegevens, terwijl voor
bedrijven en instellingen het niet altijd helder is of ze mogen meewerken aan verzoeken
van opsporings diensten. Maatschappelijke instanties, bedrijfsleven en opsporingsdiensten
zijn gebonden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Zij kunnen daarom niet vrij
persoonsgegevens beschikbaar stellen of gegevens opvragen.
Door gebruik van informatie- en
communicatietechnologie beschikken maatschappelijke instanties en bedrijven steeds vaker
over gegevens van personen. Transacties gaan in toenemende mate langs elektronische weg en
gegevens worden meer dan voorheen op geautomatiseerde wijze verwerkt en opgeslagen. Bij de
opsporing van misdrijven spelen dergelijke persoonsgegevens een onmisbare rol. Deze rol
neemt toe. Het kabinet is van oordeel dat vanwege het toenemend belang voor de opsporing
er meer mogelijkheden moeten komen om over persoonsgegevens te kunnen beschikken. Het
wetsvoorstel voorziet daarin. Er komt daarmee een eind aan de bestaande onduidelijkheid en
ontoereikendheid van regels. Bovendien sluit het kabinet aan bij de ontwikkeling van de
samenleving tot informatiemaatschappij.
Het voorstel komt erop neer dat in het
Wetboek van Strafvordering enkele algemene bevoegdheden worden opgenomen die zich niet
beperken tot één bepaalde bedrijfstak, maar breder van toepassing zijn. Elke bevoegdheid
heeft betrekking op een specifieke categorie persoonsgegevens. Zo kan een
opsporingsambtenaar 'identificerende' gegevens van een bepaalde persoon opvragen. Het gaat
dan niet alleen om iemands naam, adres, woonplaats, geboortedatum of geslacht, maar ook om
zijn of haar klantnummer, nummer van een polis of een rekeningnummer bij de bank. De
ervaring leert dat vooral aan het begin van een opsporingsonderzoek deze gegevens een
belangrijke rol spelen. Politie en justitie zijn met behulp van die informatie sneller in
staat vast te stellen wie de personen zijn waarop het onderzoek zich richt, en kunnen
verbanden leggen tussen situaties en personen.
Ook andere gegevens dan de genoemde
identificerende gegevens kunnen opgevraagd worden. De officier van justitie komt deze
bevoegdheid toe. Het betreft gegevens over diensten die verleend zijn, zoals de duur, de
data, de plaats en de aard van de dienstverlening en informatie over rekeningen en ander
betalingsverkeer. Als het opsporingsonderzoek verder is gevorderd zijn het vooral deze
gegevens die relevant zijn. Opsporingsdiensten krijgen zo meer zicht op het patroon van
gedragingen van een persoon. Voorbeelden hiervan zijn: reisgedrag en handelingen bij
financiële transacties. Daarnaast biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid zogenaamde
gevoelige gegevens te vorderen. Deze categorie kan vanwege hun aard een indringende
inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer. Hieronder valt informatie over iemands
godsdienst, ras, politieke gezindheid, gezondheid of seksuele leven. Daarom kan de
officier van justitie pas van de bevoegdheid gebruik maken als aan zwaardere voorwaarden
is voldaan, zoals de voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris.
Justitie en politie kunnen op basis van de voorgestelde bevoegdheden ook over anderen dan
de verdachte gegevens vergaren. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om gegevens over het
slachtoffer of gegevens over derden waarmee de verdachte contacten heeft onderhouden die
kunnen bijdragen aan een goede afronding van het opsporingsonderzoek.
Bij de totstandkoming van het
wetsvoorstel is een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het opsporingsbelang, het belang
van degene op wie de gegevens betrekking hebben en het belang van de derde van wie de
gegevens worden gevorderd. De regeling van de bevoegdheden heeft met elk van deze belangen
rekening gehouden. Naarmate een bevoegdheid -gelet op de aard van de gegevens- meer
inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer of meer inspanningen vergt van een bedrijf of
instelling om aan een verzoek tot verstrekking te voldoen, worden strengere eisen gesteld
aan de toepassing. Niet elke bevoegdheid mag in alle gevallen worden gebruikt. Gevoelige
gegevens mogen niet worden opgevraagd bij lichte misdrijven. Dat kan wel bij misdrijven
die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Andere dan identificerende gegevens
mogen worden vergaard bij misdrijven waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer
staat. De bevoegdheid om identificerende gegevens te vorderen, is toegestaan bij de
opsporing van elk misdrijf.
Het wetsvoorstel is getoetst aan artikel
8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zo is de
regeling voldoende precies geformuleerd. De burger weet vooraf onder welke omstandigheden
en voorwaarden de bevoegdheid mag worden toegepast. Ook is de toepassing controleerbaar
doordat een vordering tot verstrekking van gegevens schriftelijk moet zijn gedaan. Van de
verstrekking wordt een proces-verbaal opgemaakt. Deze voorschriften en de criteria die in
de wet zijn opgenomen voor toepassing van de bevoegdheden bieden waarborgen in de zin van
artikel 8 EVRM.
Afwikkeling massaschade
eenvoudiger - Eerste Kamer aanvaardt wetsvoorstel
Vergoeding van schade die voor veel
mensen is ontstaan na een ramp of calamiteit door een of enkele veroorzakers kan
binnenkort eenvoudiger worden afgewikkeld. De Eerste Kamer heeft vandaag ingestemd met het
wetsvoorstel 'Collectieve afwikkeling massaschade'dat door minister Donner van Justitie
werd verdedigd. De wet zal op 1 augustus 2005 in werking treden.
De wet maakt het mogelijk dat een
overeenkomst, die is gesloten tussen de veroorzaker(s) van de schade en een of meer
organisaties die de belangen van slachtoffers behartigt, door de rechter verbindend kan
worden verklaard. Een dergelijke afwikkeling heeft voor de veroorzaker(s) van de schade
het voordeel dat zij niet betrokken worden in een veelheid van procedures en dat zij met
een dergelijke overeenkomst snel zekerheid verkrijgen over hun financiële verplichtingen.
Voor slachtoffers heeft deze wijze van afwikkeling het voordeel dat zij zonder langdurige
juridische procedures binnen korte tijd en op een eenvoudige wijze de schade vergoed
krijgen.
De directe aanleiding voor deze wet is de
Des-problematiek. Na onderhandelingen tussen het Des-Centrum en de farmaceutische
industrie en hun verzekeraars is er ten behoeve van de Des-dochters een bedrag van 35
miljoen euro in een fonds gestort. De nu aanvaarde wet maakt het mogelijk dat de
overeenkomst die zal voorzien in de verdeling van dit bedrag onder de Des-dochters door de
rechter verbindend wordt verklaard. Eenzelfde afwikkeling kan gaan gelden voor de
slachtoffers van de aandelenleaseconstructie.
Evaluatie modernisering
rechterlijke organisatie
De commissie 'Evaluatie modernisering
rechterlijke organisatie'neemt de uitvoering en uitwerking van de wetten 'Organisatie en
bestuur gerechten'en 'Raad voor de Rechtspraak'onder de loep. Deze wetten waren het
sluitstuk van de operatie 'Rechtspraak in de 21e eeuw'en zijn op 1 januari 2002 in werking
getreden.
De commissie, onder voorzitterschap van mr. W.J.Deetman, moet antwoord geven op de vraag
of de rechtspraak op de goede weg is gelet op de doelstellingen van de
moderniseringsoperatie. De commissie zal langs verschillende wegen daartoe informatie
vergaren. Zo zal het WODC alle kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeken van de laatste
jaren over de rechtspraak op een rij zetten en van een oordeel voorzien. Onder aansturing
van het onderzoeksbureau KPMG, bijgestaan door de Universiteit Utrecht, zullen de
gerechten een zelfevaluatie uitvoeren. Daarnaast zullen commissieleden werkbezoeken
brengen aan de gerechten en ook in contact treden met ondermeer de advocatuur en de
gerechtsdeurwaarders om te vernemen of de rechtspraak conform de doelstellingen van de
moderniseringsoperatie op de goede weg zit. Meer informatie: www.evaluatiero.nl
Conducteurs vrijgesproken
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft
vandaag twee treinconducteurs vrijgesproken die verdacht werden van onzorgvuldig handelen,
waardoor een passagier op 9 september op het treinstation in Oss, zwaar lichamelijk letsel
opliep. Klik op de LJN-nummers voor de uitspraken.
LJ Nummers AT7812, AT7805
Bron: Rechtbank 's-Hertogenbosch
College van Beroep voor het
bedrijfsleven
Vergoeding proceskosten bezwaar bij niet
tijdig nemen besluit en bij vervanging besluit door een gewijzigd nieuw primair besluit
De Centrale Raad van Beroep heeft op 13
juni 2005 twee richtinggevende uitspraken gedaan over de toepassing van artikel 7:15,
tweede tot en met vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is de bepaling die
gaat over de vergoeding van de kosten die een belanghebbende heeft gemaakt in verband met
een door hem tegen een besluit van een bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift.
In de eerste zaak (AT7364) heeft de Raad
beslist dat het bestuursorgaan ook verplicht is om deze kosten te vergoeden als bezwaar is
gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag van de belanghebbende.
Dat is alleen anders als niet aan het bestuursorgaan kan worden verweten dat er te laat is
beslist. Voorts heeft de Raad aangegeven hoe hoog in zoân geval de door het
bestuursorgaan te betalen vergoeding is.
In de tweede zaak (AT7365) heeft de Raad
beslist dat de kosten van het bezwaar ook moeten worden vergoed als een bestuursorgaan
ervoor kiest om een eerder genomen en onrechtmatig gebleken - primair - besluit waartegen
de belanghebbende bezwaar heeft gemaakt, te vervangen door een gewijzigd primair besluit.
Een dergelijk besluit moet voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op
één lijn worden gesteld met het - in een beslissing op bezwaar - herroepen van het
eerdere, onrechtmatige primaire besluit.
LJ Nummers AT7364, AT7365
Hoge Raad vernietigt uitspraak
hof Amsterdam in de zaak van een macrobiotische voedingsadviseur
Samenvatting door de griffier van de Hoge
Raad (buiten verantwoordelijkheid van de Hoge Raad).
Verdachte is macrobiotisch
voedingsadviseur en directeur van een macrobiotisch instituut. Een vrouw die al een aantal
jaren aanhangster was van de door verdachte gepropageerde macrobiotiek, consulteerde
verdachte toen werd ontdekt dat zij leed aan baarmoederhalskanker. De ziekte verkeerde ten
tijde van het eerste consult in een stadium waarin de reguliere geneeskunde een goede kans
op genezing kon bieden. Verdachte heeft haar niet verwezen naar de reguliere
gezondheidszorg en haar evenmin aangeraden zich onder behandeling te stellen van artsen in
de reguliere gezondheidszorg. In plaats daarvan heeft verdachte haar een macrobiotische
oplossing aangeboden. Deze oplossing bleek niet deugdelijk. Uiteindelijk is zij aan
baarmoederhalskanker overleden.
Verdachte is gedagvaard voor de rechtbank
Amsterdam wegens opzettelijke benadeling van de gezondheid, zwaar lichamelijk letsel ten
gevolge hebbend. Deze rechtbank heeft hem daarvoor op 20 december 2001 veroordeeld.
In hoger beroep bij het hof Amsterdam
stond de kwestie centraal of verdachte de vrouw - kort gezegd - heeft afgehouden van de
behandeling door reguliere geneeskundigen. Het ging er met name om of de gedragingen van
de verdachte, dan wel andere factoren, ertoe hebben geleid dat de vrouw zich niet onder
reguliere medische behandeling heeft gesteld.
Het hof oordeelde dat hem een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat
de vrouw geen reguliere geneeskundige behandeling heeft ondergaan. Het hof veroordeelde
verdachte op 10 februari 2004 wegens opzettelijke benadeling van de gezondheid van de
vrouw, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, tot een
voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van ⬠2000,-.
Verdachte heeft tegen deze veroordeling
cassatie ingesteld. In de procedure bij de Hoge Raad heeft de advocaat van verdachte, mr.
A.A. Franken te Amsterdam, onder meer geklaagd over de wijze waarop bij het hof een
getuige is gehoord. Het hof zou een getuige hebben belet om een bepaalde vraag van de
verdediging te beantwoorden. Een andere klacht betrof het oordeel van het hof, dat op
verdachte een bijzondere zorgplicht rustte. Deze bracht tenminste mee dat hij tegenover de
vrouw zijn weerstand tegen de reguliere geneeskunst minder had moeten etaleren en haar
beter had moeten informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de macrobiotiek
en het feit dat geen enkel wetenschappelijk onderzoek had bevestigd dat macrobiotiek
kanker kon genezen of inkapselen.
In zijn conclusie van 15 maart 2005 heeft
advocaat-generaal Vellinga de Hoge Raad geadviseerd tot vernietiging van de uitspraak van
het hof Amsterdam.
De Hoge Raad heeft op 14 juni 2005 de
uitspraak van het hof Amsterdam van 10 februari 2004 vernietigd, omdat hij een klacht over
het beletten van een getuige om een bepaalde vraag te beantwoorden gegrond achtte. De
vraag had betrekking op de mogelijke eigen keuze van de vrouw om zich niet te laten
behandelen door een reguliere arts. De Hoge Raad heeft een enkele andere klacht verworpen,
waaronder de klacht over de door het hof gestelde bijzondere zorgplicht van de verdachte.
Deze uitspraak van de Hoge Raad brengt mee dat de zaak opnieuw moet worden behandeld. De
zaak is daartoe verwezen naar het hof Den Haag.
LJ Nummer
AT1801
Bron: Hoge Raad der Nederlanden
Verdachten bouwfraude veroordeeld
De rechtbank in Rotterdam heeft donderdag
9 juni vonnis gewezen in de zogenaamd bouwzaak.
Van de 16 rechtspersonen en natuurlijke
personen die zich hebben moeten verantwoorden voor de rechtbank zijn 14 verdachten
veroordeeld. Twee verdachten (natuurlijke personen) hebben geen straf opgelegd gekregen.
De veroordelingen betreffen met name het
lidmaatschap van een criminele organisatie. Dit betekent deelname aan zogenaamde
egalisatiefondsen die tot doel hadden het verrekenen van verplichtingen voortvloeiend uit
vooroverleg.
De rechtbank bepaalde dat daardoor de
concurrentie bij aanbestedingen in de bouwsector op grootschalig niveau werd vervalst.
Bovendien is het belang van de samenleving bij een gezond economische ondernemingsklimaat
geschaad, aldus de rechtbank.
Ten aanzien van de selectie van
bouwbedrijven en natuurlijke personen en het uitwisselen van informatie met de NMA heeft
het Openbaar Ministerie niet gehandeld in strijd met de beginselen van een goede
procesorde.
Het Openbaar Ministerie bestudeert het
vonnis en beraadt zich op een eventueel hoger beroep.
Secretaresses advocatenkantoren
op bezoek bij rechtbank Middelburg
Op dinsdag 31 mei jl. mocht Rechtbank
Middelburg meer dan 100 secretaresses, werkzaam bij de advocatenkantoren uit de regio,
ontvangen. De secretaresses waren naar het Middelburgse gerechtsgebouw gekomen in het
kader van een excursie die georganiseerd werd door de Middelburgse rechtbank. De
secretaresses konden kennis maken met de griffiemedewerkers van de rechtbank en met hen
ervaring en informatie uitwisselen.
Verdeeld over twee dagdelen bezochten de
secretaresses de rechtbank. Het programma startte met een welkomstwoord door president
L.A.M. van Dijke, waarna een presentatie werd gegeven over de rechterlijke organisatie en
de website van de rechtspraak. Verder werden de secretaresses door de leidinggevenden van
de griffies rondgeleid en konden zij met griffiemedewerkers kennismaken.
De excursie werd door de secretaresses
als leerzaam, informatief en prettig ervaren. Gelet op het succes overweegt het
gerechtsbestuur om een dergelijke informatiedag nogmaals in de toekomst te organiseren.
Hoger beroep weigering informatie
aan voormalig anti-apartheid activist gegrond
Utrecht, 8 juni 2005 â De Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van een voormalig
anti-apartheid activist tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 juni 2004 gegrond
verklaard. De rechtbank oordeelde destijds dat de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties zijn weigering om informatie te verstrekken betreffende de âcontext
anti-apartheidâ kon baseren op het feit dat de informatie nog steeds als actueel kan
worden bestempeld omdat een aantal personen of groeperingen uit de anti-apartheidsbeweging
nu actief is op andere terreinen die de aandacht van de AIVD hebben.
De appellant voerde daartegen onder meer
aan dat antimilitaristische personen en groepen die actief waren in de periode van de
Koude Oorlog, wel inzage hebben gekregen in gegevens over hun activiteiten, ongeacht hun
huidige andersoortige activiteiten, die mogelijk in de belangstelling van de AIVD staan.
Ook de Afdeling vindt dat de minister
onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de omstandigheid dat een persoon mogelijk
actief is in een nieuwe, actuele context moet leiden tot het oordeel dat de context
"anti-apartheid", waarbinnen die persoon zich aanvankelijk bewoog, toch nog
actueel is. Dat staat namelijk haaks op een eerder door de minister ingenomen standpunt en
zijn beleid ten aanzien van verstrekking van informatie over de antimilitarismebeweging
van voor 1990.
De minister moet nu een nieuwe beslissing
nemen.
LJ Nummer AT6965
Campagne roept Nederlanders op
tot doen van aangifte
Op maandag 13 juni start in Dordrecht de
campagne aangiftebereidheid. Al jaren lang is de bereidheid van Nederlanders om aangifte
te doen laag. Terwijl het doen van aangifte de politie juist helpt bij het oplossen van
misdrijven. Maar liefst 70% van de opgeloste misdrijven wordt opgelost door een aangifte.
In de campagne figureert rechercheur De
Cock (met c-o-c-k), bijgestaan door zijn hondje Jack (met j-a-c-k). De campagne vindt
plaats in het kader Nederland Veilig. De campagne past binnen het kabinetsbeleid waarin
mensen wordt gewezen op de eigen verantwoordelijkheid om Nederland veilig te maken.
Bij de totstandkoming van de campagne
hebben de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nauw
samengewerkt met de politie. Naast de media-campagne, is de politie ook een interne
campagne gestart om agenten voor te bereiden op de campagne.
CBb doet uitspraak over het
systeem van proceskosten
In zijn uitspraken van 13 mei 2005 heeft het College beslist op beroepen tegen de
weigering van de Minister van Economische Zaken om in verschillende bezwaarprocedures
gemaakte proceskosten te vergoeden.
Het College heeft allereerst overwogen dat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet in
strijd is met artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM.
Daarnaast is uitgemaakt dat iemand die aanspraak wil maken op een ruimere vergoeding van
de proceskosten in bezwaar dan de in genoemd Besluit voorziene forfaitaire, daarom
expliciet moeten verzoeken. Bij gebreke van zoân verzoek mag een bestuursorgaan er vanuit
gaan dat een verzoek om vergoeding van proceskosten enkel ziet op toepassing van het
forfaitaire systeem, tenzij de omstandigheden die in bezwaar naar voren zijn gebracht zo
in het oog springend uitzonderlijk zijn dat het bestuursorgaan niet anders kan dan
ambtshalve constateren dat is beoogd een beroep te doen op een ruimere vergoeding.
Het College heeft voorts in de uitspraak met registratienummer AWB 04/757 overwegingen
gewijd aan de begrippen samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het
Besluit en uittreksels uit de openbare registers in de zin van artikel 1, eerste lid,
aanhef en onder e, van het Besluit.
LJ Nummers AT6110 , AT6111
Bron: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Gebruikers zeer positief over
Rechtspraak.nl
Gebruikers van Rechtspraak.nl, de
officiële site van de Rechtspraak en de Hoge Raad der Nederlanden, oordelen zeer positief
over de site. Maar liefst 92% heeft een gunstig oordeel. Dat betekent een stijging ten
opzichte van 2002, toen 88% al positief oordeelde. Dat is de uitkomst van een onderzoek
onder ruim 1600 gebruikers van Rechtspraak.nl, uitgevoerd door het bureau NetPanel in
opdracht van de redactie van de site.
Rechtspraak.nl is in de lucht sinds
december 1999. In oktober 2004 is een geheel vernieuwde site gelanceerd, met gebruikmaking
van de nieuwe huisstijl en nieuwe content. Voorheen richtte Rechtspraak.nl zich
voornamelijk op professionals (advocaten, rechters, juristen, enz.). De huidige site
probeert ook in de informatiebehoefte van algemene en rechtzoekende privé-gebruikers en
de pers te voorzien.
Driekwart van de bezoekers raadpleegt
Rechtspraak.nl vanuit een zakelijke achtergrond, luidt één van de conclusies van de
onderzoekers. In 2002 was dit 69%. Deze professionals zijn vooral werkzaam bij de
overheid, op advocatenkantoren en in het bedrijfsleven. De groep privé-bezoekers bestaat
uit algemene belangstellenden (8%), rechtzoekende belangstellenden (7%) en studenten
(11%). De privé-bezoekers vooral zijn werkzaam op bestuurlijk-juridisch vlak, in
management- en directiefuncties of in de administratieve sector.
De meerderheid van de respondenten (45%)
bezoekt Rechtspraak.nl één tot drie keer per week; een kwart bezoekt de site zelfs vaker
dan drie keer per week. Professionals bezoeken de site vaker dan leken. Het aantal
bezoekers is sterk gestegen en neemt nog steeds toe: in april 2002 bezochten 126.00 mensen
de site, in april 2005 waren dat er 368.000. Het vinden van uitspraken is voor 69% van
alle gebruikers het belangrijkste doel van een bezoek aan Rechtspraak.nl. Daarnaast wordt
vaak gezocht naar namen en nevenfuncties.
Over het algemeen wordt het
informatieaanbod zeer positief gewaardeerd. Ten opzichte van 2002, toen de waardering ook
al groot was, is de gemiddelde score zelfs nog toegenomen. Kritische kanttekeningen
betreffen het aanbod van uitspraken. Het is onduidelijk op basis van welke criteria
uitspraken worden gepubliceerd. Bovendien varieert het aanbod per gerecht. Ook de snelheid
waarmee ze op Rechtspraak.nl terechtgekomen lijkt afhankelijk van willekeurige factoren.
De bezoekers zijn tevreden over het
gebruiksgemak. Het feit dat men via verschillende ingangen bij de gewenste informatie kan
komen, draagt sterk bij aan de gebruiksvriendelijkheid. De zoekmogelijkheden worden goed
gewaardeerd, maar zouden wel geoptimaliseerd kunnen worden.
Bron: Centrale redactie rechtspraak.nl
Uitspraak in geschil tussen twee
kerkgemeenten
De Hervormde Gemeente Kesteren en de Gemeente in Hersteld Verband Kesteren zijn na de
kerkfusie die geleid heeft tot het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN),
verwikkeld in een geschil over de vraag aan welke kerkgemeente het vermogen (onder andere
het kerkgebouw) van de Hervormde Kerk in Kesteren toekomt. De Gemeente in Hersteld Verband
Kesteren beschouwt zichzelf als de enige voortzetting van Nederlands Hervormde kerk in
Kesteren. Zij weigert afgifte van administraties en sleutels van kerkgebouwen aan de
Hervormde Gemeente Kesteren (die onderdeel is van de PKN). Deze laatste heeft nu in kort
geding bij de rechtbank Arnhem de afgifte daarvan gevorderd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat in
dit geschil de kerkorde het uitgangspunt moet zijn. Dat betekent onder meer dat een
hervormde gemeente na de kerkfusie van rechtswege onderdeel van de PKN wordt, ook wanneer
een groot aantal gemeenteleden zich daarvan afscheidt.
De PKN en haar gemeenten moeten beschouwd
worden als ârechtsopvolgers onder algemene titelâ van de Nederlandse Hervormde Kerk (en
de andere fusiekerken). Alle rechten en verplichtingen zijn dus op de PKN overgegaan.
De kerkgemeenten in Hersteld Verband zijn
nieuwe rechtspersonen. Het is voor hun vermogenrechtelijke positie volgens de rechter niet
relevant dat zij zichzelf in geestelijk opzicht beschouwen als opvolgers van de Nederlands
Hervormde Kerk.
Op deze inhoudelijke gronden acht de
rechter de vorderingen van de Hervormde Gemeente toewijsbaar. De Gemeente in Hersteld
Verband moet binnen twee weken sleutels, administraties en overige bescheiden overdragen.
Wat betreft het medegebruik van het kerkgebouw moet zij zich houden aan de daarvoor
getroffen regeling.
LJ Nummer AT5271
Bron: Centrale redactie rechtspraak.nl
Europese rechtstelsels in kaart
gebracht
De Raad van Europa organiseert in
samenwerking met het ministerie van Justitie op 2 en 3 mei a.s. een internationale
conferentie over het functioneren van de rechtstelsels in Europa. De conferentie zal
worden geopend door minister Donner van Justitie in het Nederlands Congrescentrum te Den
Haag.
Aan de conferentie nemen
vertegenwoordigers deel van de rechtspraak uit de diverse lidstaten, van de ministeries
van Justitie, het secretariaat van de Raad van Europa, de Europese Commissie,
wetenschappers en vertegenwoordigers van juridische beroepsverenigingen .
Het hoofdonderwerp van de conferentie is
de presentatie en bespreking van een rapport over de werking en inrichting van
rechtstelsels in Europa.
Dit rapport (European judicial systems
2002) is een initiatief van de expertgroep European commission for the efficiency of
justice/CEPEJ uit de Raad van Europa. Voor het eerst is er een grootschalig onderzoek
gedaan naar de inrichting van de rechtstelsels in de lidstaten.
Van de 46 aangesloten landen hebben 43
meegedaan aan het onderzoek. Het gaat daarbij om een beschrijving van de veertig
verschillende rechtssystemen en biedt inzicht in het functioneren van justitie in die
landen. Variërend van de toegang tot het recht in relatie tot de financiering van de
rechtspraak en de gefinancierde rechtsbijstand, het functioneren van de rechtspraak, de
rol van het openbaar ministerie, advocatuur, gerechtsdeurwaarders en mediators. Ook wordt
inzicht verschaft in de salariëring van rechters en de omvang van de diverse juridische
beroepsgroepen.
Rechtbanken beginnen met
mediation
Vanaf 1 april bieden zeven rechtbanken en het gerechtshof in Arnhem de mogelijkheid voor
mediation (bemiddeling) bij conflicten tussen verschillende partijen. Dit maakte de Raad
voor de Rechtspraak vandaag bekend.
Bij mediation wordt een persoon benoemd
die de twistende partijen helpt te zoeken naar een oplossing voor hun geschil. Daarbij
weegt de mediator alle belangen van de betrokken partijen af, niet alleen de juridische.
De verantwoordelijkheid voor de oplossing van een conflict ligt bij partijen zelf. Het
doel van de bemiddeling is het ontlasten van de rechterlijke macht en het omlaag brengen
van de kosten. Partijen die een conflict aan de rechter voorleggen blijken via mediation
vaak alsnog tot overeenstemming te kunnen komen. Bovendien duren de mediations korter dan
normale gerechtelijke procedures.
Uit onderzoek is gebleken dat acceptatie
van een zelf gekozen oplossing groter is. Gemaakte afspraken worden vaker nagekomen. Bij
mediation is de onderhandelingsbereidheid van partijen van doorslaggevende betekenis. De
praktijk wijst uit dat partijen en raadslieden niet alleen voorafgaand maar ook tijdens
een gerechtelijke procedure bereid zijn te kiezen voor deze vorm van alternatieve
conflictoplossing.
Rechter zegt: meisje met Down
syndroom ten onrechte verwijderd van basisschool
Sinds haar 4e jaar ging een meisje met Down syndroom naar een gewone basisschool. Op haar
11de wilde de directie het meisje verwijderen van deze school. Men zou niet meer kunnen
voldoen aan haar zorgbehoeften.
De ouders waren het niet eens met deze verwijdering. Hun kind had het naar haar zin op
school en het ging nog steeds goed vooruit. Bovendien had het meisje geen intensieve
zorgvraag en ook vertoonde zij geen storend gedrag.
In een spoedprocedure legden de ouders de zaak voor aan de rechter. Eind januari gaf deze
de ouders volledig gelijk.
De uitspraak van de rechter is bijzonder
belangrijk. Het betekent dat een school niet zomaar een kind met een handicap van school
mag verwijderen. Volgens de rechter moet een school eerst alles proberen om een kind op
school te houden. Alleen als dat volgens de school echt niet lukt, én als ook een
onafhankelijke deskundige tot dezelfde conclusie komt én er is sprake van een onhoudbare
situatie omdat de onderwijsactiviteiten van de overige leerlingen in de knel komen, mag
een school tot verwijdering overgaan. De rechter benadrukte nogmaals dat deze
'verwijderingsprocedure' uiterst zorgvuldig moet worden doorlopen.
Advocaat Jan Dirk van Vlastuin stelt dat
de ouders op alle fronten hebben gewonnen. Dit betekent dat de school een nieuw plan moet
maken. Daarbij moeten ze rekening houden met wat de rechtbank gezegd heeft.
Formeel is de zaak voor deze ouders nog niet afgelopen. Het is niet de rechter die plannen
maakt, maar de school. De rechter kijkt alleen of de besluiten van de school wel correct
zijn. En dat was hier niet het geval.
De FvO/ouderverenigingen zijn verheugd
over de uitspraak van de rechter. Hiermee wordt bevestigd dat het in de eerste plaats de
ouders zijn die een schoolkeuze mogen maken. Kinderen met een handicap mogen dus niet
zomaar van school worden weggestuurd. Scholen hebben een zware verplichting om een kind
met een handicap goede onderwijszorg te geven en op school te houden. Alleen als het
normale onderwijs aan de overige leerlingen in gedrang komt, kan de school een
verwijderingsprocedure overwegen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een kind structurele
ernstige gedragsstoornissen vertoond. Kortom: een kind met een handicap is geen speelbal
die je weg doet als je er even geen zin meer in hebt
De ouders zijn lid van de VOGG, een van
de vijf verenigingen die samen de FvO vormen. Leden van een oudervereniging kunnen
ondersteuning krijgen van de juridische afdeling van de FvO. Als het komt tot een
rechtszaak kan de FvO het advocatenkantoor Bouwman & Van Dommelen inschakelen.